“Loosdrecht; If this was Ireland I would take more notice.” K. Schippers - “If you look hard enough all meanings can be found or produced close to home.” John Smith - “To travel is to view oneself against a different background.” Jan Brokken - “I have a passion for concocting whole books around the people I encounter.” Gustave Flaubert - “Journeys are the midwives of thought.” Alain de Botton - “The art of living is to treat staying at home as if one was travelling.” Godfried Bomans

Desperate for a pee, Sjaak Langenberg and Rosé de Beer find themselves down a side road somewhere in Normandy. As he’s peeing against a tree, they discover an information sign showing a watercolour by Eugène Delacroix.
This completely randomly picked piss-stop turns out to be hanging in the Louvre. So, are there any places left that have never been written about, villages that aren’t in the guide books?

In his forthcoming book which has the working title Wildplassen met Delacroix (Taking a leak with Delacroix) Sjaak Langenberg investigates how one can relate to one’s predecessors now that even the back of beyond has been provided with several layers deep of meaning and Google is making a brain scan of our planet every millisecond. Each object, every place, each and every person has been captured in the thousands of interpretations of objects, places and people that exist. Everything has snowballed, each and every idea is immediately estranged from its origin.

‘Through Monet we see the sea for the first time in all her facets,’ claimed a critic in his time.
Nowadays, liberating things from their interpretation seems to be the motto.

 
More travel essays (Dutch only)


We zijn bijna te laat. The Wren Library met het manuscript van Winnie-the-Pooh, vroege uitgaven van Shakespeare, tractaten van Ludwig Wittgenstein, en 1250 middeleeuwse manuscripten gaat over een half uur sluiten. Snel kopen we een kaartje. De kortste weg naar de bibliotheek is voorbehouden aan studenten en alleen de professoren mogen het gras oversteken van de binnenplaats van Trinity College. Wij rennen naar de deur die de portier ons heeft gewezen. Tot onze verbazing leidt de deur weer naar buiten. De snelste route naar de bibliotheek is voor toeristen buitenom, via een achterafstraatje.
Nadat we een paar Japanners bijna omver hebben gelopen en Trinity College aan de achterzijde weer betreden, worden we resoluut een halt toegeroepen door een pittige dame die haar taak uiterst serieus neemt. Ze duwt ons uit haar territorium. Toch te laat, denken we beduusd. Buiten vertelt ze dat we onze mobieltjes moeten uitzetten, dat absolute stilte is vereist en dat het boven erg druk is. We moeten hier blijven staan. Nadere orders volgen.
De drukte zit vooral in haar hoofd, merken we als we een kwartier voor sluitingstijd toch de zwart-wit betegelde heilige hal der kennis mogen betreden. Er zijn hooguit tien bezoekers die muisstil hun eerbied betonen. Grote boekenkasten met op de kopse kanten uit lindehout gesneden wapens en ornamenten, bustes van Isaac Newton, Tennyson en andere prominenten die aan Trinity College studeerden en vitrines die afgedekt zijn met doeken om de zeldzame manuscripten tegen het daglicht te beschermen, alles draagt bij aan de gewijde sfeer. Als ik een doek optil en de woorden die A.A. Milne zijn opschreef op mij in laat werken, krijg ik bijkans last van het Stendhalsyndroom. Zouden ze ziekenhuisbedden vrijhouden in Cambridge voor zij die door de schoonheid worden bevangen, zoals ze in Florence doen? Het is wonderlijk om handgeschreven woorden te zien die vele malen zijn herdrukt en nu deel uitmaken van het cultureel werelderfgoed. Het is maar goed dat een schrijver niet weet welke vlucht zijn woorden nemen. Dat leidt ongetwijfeld tot onhoudbare prestatiedruk. Gelukkig zijn de meesten zich vooraf niet bewust van hun rol op het wereldtoneel.
Ik kom weer met beide benen op de grond terecht als ik een ordinaire keukentrap langs een boekenkast zie staan. In de nissen die door de boekenkasten worden gevormd staan bureaus met daarop computers en stapels papieren. Tussen oude lederen boekenkaften schittert The Yellow Pages. Hier wordt gewoon gewerkt. Het is 2009. Op onze tenen lopen we weer naar buiten waar de dame die de wacht houdt, steun zoekt bij een collega: “Madness, complete madness!” Zo beschrijft ze het bezoek van 159 bezoekers aan de bibliotheek vandaag. Het zou goed zijn als ze haar post eens verliet om boven tot rust te komen tussen de boeken. Of is tot rust komen maar een relatief begrip op een plek waar de geschiedenis zwaar op je drukt als je niet uitkijkt?

Cambridge. Hoe vang je een stad in woorden waar zoveel is geschreven, gepubliceerd en gelezen? Het ene moment laat ik me intimideren door de geschiedenis, het andere moment heb ik oog voor alledaagse details die het roemruchte verleden relativeren.
‘Among former occupants of The Great Court Sir Isaac Newton (1642-1727), mathematician and natural philosopher, lived in rooms on the First Floor between the Great Gate and the Chapel.’ Is het perspectivische vertekening of was het hoofd van Newton echt zo klein, denk ik als ik letterlijk tegen hem opkijk in de ante-chapel van Trinity College waar de standbeelden door het lichtspel samensmelten met de muren. Het is moeilijk voor te stellen dat Newton hier heeft geleefd en gewerkt. Leven is meer dan in je beste kloffie poseren voor een marmeren imitatie van je gestalte. Als de geschiedenis wordt uitvergroot en je tot het wetenschappelijk canon wordt gerekend, vergeet je soms dat iemand ook gewoon een slechte nachtrust heeft gehad, verliefd is geweest, misschien zelfs is bedrogen, of een hobby heeft gehad waar hij zich voor schaamde.
Eten en drinken is in Trinity College een verheven aangelegenheid als Thomas Neville en King Henry VIII in olieverf toekijken hoe je een broodje nuttigt in de mensa. The Great Hall is een immense ruimte met een houten plafond, een ruimte die niet gestut wordt met pilaren was een noviteit toen de hal werd gebouwd. Gelukkig is er in deze hemelse mensa een buffet dat niet zou misstaan in een AC restaurant. In de rij voor soep en brood ben je nog lang geen Newton. Prince Charles moest hier ook gewoon op zijn beurt wachten. Als we later zien hoe een studente met afhangende schouders samen met haar vriendje een bolderkar met al haar spullen over de binnenplaats duwt, leven we met haar mee. Zij heeft het niet gehaald. Zij zal Trinity College moeten verlaten. Maar haar vertrek maakt deze bovenmenselijke plek weer behapbaar. Niet alles ademt geschiedenis in deze stad.

Cambridge is ook gewoon een studentenstad waar duizenden jongeren ploeteren met de liefde. Wie denkt dat hier de lucht vibreert door alle intellectuele energie heeft het mis. De hormonen vliegen om je oren. Studentenhuizen met vuilnis en verroeste fietsen in overwoekerde voortuinen behoren evenzeer tot het straatbeeld en erfgoed. Herinneringen aan mijn eigen schooltijd komen boven. Puistjes vullen zich opnieuw. The Wren Library wordt weer gewoon ‘de bieb’.
Een meisje sleept een uithangbord mee naar huis. Af en toe moet ze het op de grond zetten om bij te komen van de inspanning. Post Office staat er binnenkort op de gevel van haar studentenhuis. Een jongen beoefent Parkour, de uit Frankrijk overgewaaide rage waarbij de openbare ruimte wordt opgevat als hindernisbaan. Hij vliegt met een grote sprong door de lucht vanaf een vensterbank van St. Johns College naar een grijs verdeelstation dat als meubilair op het trottoir staat. Het stenen muurtje langs de in strepen gemaaide voortuin van King’s College is bij goed weer bezet. Studenten, professoren en toeristen zitten zij aan zij de zon. Voorbijgangers worden getaxeerd. Een jongen met een afgezakte broek en haar dat met gel op zijn voorhoofd is vastgeplakt, verlegt zijn gewicht van zijn ene op zijn andere been, terwijl de meisjes op het muurtje voor hem de ontrouw van hun partners bespreken. Toeristen maken foto’s van esthetische patronen in het gras, veroorzaakt door de zon die de ornamenten van King’s College beschijnt. Voor de wereldberoemde kapel van de universiteit die in 1441 door Henry VI werd gesticht staat een forse boom. “Kijk,” zegt de jongen met het vastgeplakte haar, “er verdwenen daar net twee mannen in de bosjes.” Ook dat is Cambridge. Door Newtons lichaam gierden de hormonen.

In boekhandel Heffers (‘Part of the history of Cambridge for 140 years’) kunnen we kiezen uit meer dan honderdduizend titels. Na drie verdiepingen wordt het me te veel. Een oud gevoel maakt zich van me meester:
Ik ben een jaar of tien. We vieren Sinterklaas met de nieuwe vriend van mijn moeder. Ik word overladen met cadeaus. Zijn charmeoffensief werkt averechts, want bij cadeau nummer veertien barst ik in huilen uit. Ik ben ontroostbaar. Een pak stiften was genoeg geweest.
Twintig jaar later heb ik een vergelijkbare ervaring. Ik word besprongen door hebzucht in een warenhuis vol boeken in Rotterdam. De uitverkoop wordt mij bijna fataal. Met tien boeken onder mijn arm loop ik naar de kassa. Dan zie ik nog iets van mijn gading liggen, maar net op tijd wordt ik overmand door saudade. Ik leg alle boeken terug in de schappen en verlaat de winkel verdrietig, doch voldaan.
Dit gaat me niet weer gebeuren denk ik in boekhandel Heffers waar de letters uit duizenden boeken zijn opgestegen. Als een zwerm muggen belagen ze mijn hoofd. Voordat andermans creativiteit me alle werk- en levenslust ontneemt, zorg ik dat ik de boekhandel verlaat met maar één boek: Book of obituaries is een gepaste aanschaf in deze zee van literatuur en wetenschap. Alleen necrologieën kunnen orde scheppen in de chaos, levens compact samengevat in een paar citaten, een omslagpunt en een onverwachte dood.
Het helpt maar kort. Cambridge stijgt me naar de kop. Ik ben dronken van het kennisaanbod. De universiteitsgebouwen buigen vervaarlijk voorover als ik ze passeer. Overzicht wil ik. Overzicht en ruimte. Ik koop een kaartje voor de toren van The Great St. Mary’s. Ik heb nog tien minuten om de honderddrieëntwintig treden te beklimmen. Als in een op hol geslagen carrousel tol ik rond de smalle wenteltrap naar boven. Stadsgeluiden toeteren in mijn oren. Daar, honderdveertien voet boven de stad, ga ik op zoek naar de betekenisverlosser. Ik kijk over de stad heen naar de omliggende landerijen. Ligt daar de camping waar tussen hoge heggen ons vertrouwde tentje staat?

In mijn pubertijd las ik klassiekers als Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants en Wuthering heights van Emily Brontië. Ik dwong mezelf tot Dostojevski en Zola op mijn vijftiende. Ik identificeerde me met de vele dolende figuren in de boeken, al ontbeerde ik de levenservaring om de werken echt te doorgronden. Ik hield een lijst bij met boeken die ik gelezen had. Die zelfdiscipline eindige acuut met het besef dat de lijst met klassiekers schier eindeloos is. Als ik nu in een boekwinkel sta wordt ik nog altijd geconfronteerd met die eindeloosheid, maar hoeveel kennis heb je nodig om het leven beter te begrijpen? Hoeveel boeken moet je verslinden? Hoe zorg je ervoor dat die turbulente literaire draaikolk je niet tot waanzin drijft? Tegenwoordig streef ik naar een boekenkast met een minimum aan boeken. Net genoeg om op een onbewoond eiland te kunnen overleven.

In Book of obituaries lees ik het beknopte levensverhaal van George Dawson die pas op zijn achtennegentigste leert lezen en schrijven. “Writing my real name was one of the greatest things in my life,” zegt de man de zijn levenlang gewend was om met een kruisje te tekenen. Vier jaar later sterft hij.
Een studie is een heldendaad. De investering die studenten doen is enorm, de uitkomst ongewis. Niet voor iedereen is een glansrijke carrière of een rol van betekenis weggelegd, laat staan dat er een standbeeld voor je wordt opgericht. Als we ons allemaal van de wijs zouden laten brengen door de kennis die in Cambridge is verzameld zou niemand meer willen studeren in deze stad. Jongeren leiden gelukkig aan zelfoverschatting. Hun hersenen zijn nog niet volgroeid. Een zekere naïviteit is hen niet vreemd. De geschiedenis drukt nog minder op hun schouders. Studentenverzet is van alle tijden.
In Cambridge kan die onschuld geen kwaad, maar in Iran wordt zelfoverschatting studenten fataal. The Times bericht over opstanden in Teheran. Neda, een studente vindt de dood, zoals dat heet. Alsof we daar op zoek naar zouden zijn… Haar laatste seconden zijn gefilmd met een mobiele telefoon en gaan nu de hele wereld over. Ze groeit uit tot het symbool van de opstand - maanden later is men haar alweer vergeten. Kennis die in de knop sterft. Ik kan er niet goed tegen.
Ik lees over de opstanden op het terras van Bella Italia waar we die ochtend met ‘bon giorno’ werden begroet. Het terras ligt op een kruispunt van een uitgebreid fietspadennetwerk. Continu scheren studenten per fiets vlak langs de tafeltjes. Om hun hoofd te beschermen dragen ze een valhelm. Door de vorm van de helm lijkt het net of hun hersens zijn blootgelegd. We doen ons tegoed aan Italiaans eten, terwijl andere studenten de Venetiaanse setting compleet maken. Om een centje bij te verdienen bieden zij zich aan als bestuurders van de boten op de Cam. De boten liggen in waaiervorm als een grote vlonder op de rivier. “Are you going punting today sir?” “No, thank you.” De lust is mij ontnomen. Ik ben niet meer in Cambridge, maar in Teheran. De studenten zijn de onschuld voorbij.

In het dorpje Barton, net buiten de stadsgrens van Cambridge, bezoeken we op zondag de Burwash manor, een aantal winkels met cadeaus en streekproducten. ‘A delightful shopping experience in the Cambridgeshire countryside.’ In één van de giftshops observeer ik lang een verkoper die bij gebrek aan klanten het cadeaupapier met veel aandacht alvast op maat knipt. Ik heb altijd al een zwak gehad voor winkels op het vroege ochtenduur. Als verkoopsters kleding recht hangen in de rekken of T-shirts opvouwen die al strak in het gelid liggen, ben ik gelukkig.
Vlakbij Barton staan we op de camping. Daar heerst rust. Cambridge en haar turbulente geschiedenis lijken mijlenver weg. Een man en een vrouw passeren onze tent. Ze hebben een krantje gehaald. The Sun. Zij klaagt over het weer. ’s Avonds proberen drie Chinese jongens een heel klein tentje op te zetten. Na anderhalf uur vraagt hun buurman of hij kan helpen.
Gekalmeerd door de subtiele verschillen tussen de minuten die voorbij strijken, kom ik tot inkeer. In de stilte borrelen gedachten naar boven die ik niet voor mogelijk had gehouden: in deze groenomzoomde stad waar high- en low culture hand in hand gaan zou ik kunnen wonen. In het ommeland van Cambridge hervind ik mijn naïviteit.


© Sjaak Langenberg, 2010. Alle rechten voorbehouden. Deze tekst wordt uitsluitend aangeboden voor persoonlijk gebruik. Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur.